
Voilà, vanochtend vroeg vertrokken uit Kaboel met een binnenlandse VN-vlucht naar Mazar-i-Sharif (in feite een afdaling van mijn troon van 1800m, naar nog niet eens de helft van de Barak Frituur), en in de namiddag zetten we alweer koers over de weg om een kijkje te gaan nemen op één van de rijkste archeologische sites ter wereld - al zou je dat op het eerste zicht van het slapende stadje Balkh niet zeggen. Mijn gastheer in de gelijknamige provincie is landgenoot Walter (zonnebrilvent achteraan op deze foto), die hier voor UNDP werkt maar wiens half-Europese, half-Afrikaanse gezin in Gambia woont, en die samen met Habibullah (de Afghaan in westers kostuum) een prachtig driedaags programmaatje voor me heeft uitgedokterd. Aangekomen in Balkh begroet de districtgouverneur (derde van links, prachtige blauwe chapan-mantel en mysterieus groene ogen) ons met een brede glimlach en "Welkom, onder mijn vleugels zijn jullie veilig". Wat we niet weten is dat even eerder die namiddag uitgerekend in Balkh de enige Afghaanse ontploffing van de dag is gehoord - wellicht een bommenmaker die er het hachje bij liet in zijn fabriekje; boontje komt om zijn loontje. De Afghanen zijn wel wat meer dan dat gewend, en dus geeft de districtgouverneur ons een rondleiding tussen de monumenten van de stad, alsof er niets aan de hand was. Die monumenten zijn dan ook wel bijzonder talrijk en indrukwekkend, en beslaan een periode van vóór Alexander de Grote tot de 13de eeuw. Daarom wordt dit oord bombastisch de Moeder der Steden genoemd (ruikt een beetje naar Saddam-retoriek, als je het mij vraagt, maar dit werkt blijkbaar in dit deel van de wereld - een minister heb ik in Kaboel eens gecharmeerd door te stellen dat Pashto de Moeder van alle Westerse Talen was, en de vis beet gretig!). Naast de huidige stad ligt bijvoorbeeld iets hogerop een immense, cirkelvormige steenwoestijn die de stad
Bactra moet zijn geweest die Alexander op zijn tocht aantrof en omdoopte tot
Alexandria Bactrianum. Nota: de andere mannen op de groepsfoto zijn locals, en ze hebben zich niet speciaal zo uitgedost. De elegante tulbans zijn standaarduitrusting in dit deel van Afghanistan; de
pakol of Tadzjiekse pannekoek die ikzelf heb meegebracht tegen de frisse lentebries doen zij smalend af als "iets gemakkelijks, voor buitenlanders en Panshiri's" (met deze laatsten, waartoe ook nationale held Massoed behoorde, wordt nogal eens de spot gedreven, een beetje zoals met West-Vlamingen - als "strevers zonder veel sofisticatie").
De put waar de gouverneur hier rechts naar wijst is een stuk oude stadsmuur zoals blootgelegd door een ploeg Franse archeologen, vóór het er in Afghanistan een beetje te heet aan toe begon te gaan. De vondsten zijn dezer dagen trouwens te bewonderen in een Afghanistan-expo van het
Musée Guimet (Aziatische kunst) in Parijs - ik heb er uiteraard een kleine bedevaart naartoe gemaakt rondom (ons) Nieuwjaar, met Tomi en haar zusjes.